Over de boot en de dijen

Straatzanger Gudu Gudu Thijm bezong tijdens de oorlog de gezonken Goslar, de boot die nog altijd als een eiland in de Suriname-rivier ligt. Een bijzonder mens, die Gudu. 

Door Twan van den Brand

De Goslar is gekapseisd, tranen lopen uit mijn ogen;
ik zeg: waarom hebben zij het schip dan laten zinken,
waarom hebben zij hem niet gelaten voor mijn gouverneur?
De Goslar is gekapseisd, tranen lopen uit mijn ogen!

Het zijn de eerste zinnen van het lied over de Goslar, het schip dat in 1939 nabij Paramaribo voor anker ging. De Duitse bemanning liet de vrachtvaarder zinken op het moment dat ze werd gearresteerd. Dat gebeurde op 10 mei 1940, toen de troepen van Hitler Nederland hadden overvallen en ook het koninkrijksdeel Suriname in oorlog geraakte.
Het lied werd geschreven door straatzanger Gudu Gudu Thijm, dan bijna vijftig jaar oud en een kleurrijk figuur in Paramaribo. Ooit bemiddeld en eigenaar van huizen en plantages, later aan lager wal geraakt. Een artiest zonder gęne, als het moest kritisch op autoriteiten en maatschappij. Nu en dan had hij meer aandacht voor het effect dan voor de goede smaak.
Wat te denken van:

Mies Valone heeft twee mooie dijen
O die dijen van Mies Valone
Ik zou graag eens willen glijen
Tussen die dijen van Mies Valone
Mies Valone, Mies Valone, o die dijen van Mies Valone.

In haar ‘Wereldoorlog in de West’ citeert Liesbeth van der Horst over de zanger van de straat: “Hij zong op straat over de politiek; een mooie kerel met een baard licht van kleur en hij had bimba, twee dikke benen vanwege de ziekte filaria (een tropische ziekte veroorzaakt door draadwormen die tot in de lymfevaten van het lichaam doordringen-TvdB). Hij droeg daarom altijd hele grote broeken.”
Thijm, geboren in de Surinaamse hoofdstad, zocht zijn heil heel even in Nederland. Amper twee jaar, want de kou kon hem niet bekoren. Na zijn terugkeer verdiende hij de kost als huisschilder, maar exploiteerde meer en meer zijn artistieke kwaliteiten. Hij verkocht voor een paar cent zijn gedrukte verzen, bezong het wel en wee in ‘zijn’ hoofdstad.


Gudu Gudu Thijm/
Stichting Surinaams Museum


Een troubadour van het volk, maar naar eigen zeggen met blauw bloed in de aderen. Want Thijm beweerde een buitenechtelijk kind te zijn van koning Willem III, de overgrootvader van Beatrix. Deze Willem (1817 – 1890) ondertekende de wet die er voor zorgde dat op 1 juli de slavernij ook in Suriname werd afgeschaft.
Mooi van Willem III, die verder vooral bekendheid kreeg om zijn lompheid (in een anti-monarchistische brochure heet hij Koning Gorilla) en veelwijverij. De New York Times omschreef hem als ‘de meest losbandige figuur van onze tijd’. Na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwde Willem in 1879 met de dik veertig jaar jongere Emma, een huwelijk dat de latere koningin Wilhelmina opleverde.
Mocht Gudu Gudu Thijm gelijk hebben, dan zou hij verwekt zijn in een periode dat de koning al jaren ernstig ziek was en teruggetrokken leefde. Ja, Willem was al een half jaar dood toen Thijm op 5 juni 1891 ter wereld kwam. Hij zou, met lichte overdrijving, zowat op het sterfbed verwekt moeten zijn door deze bronstige vorst.

Pseudoniem

Johan van de Walle, tijdens de Tweede Wereldoorlog hoofd van de Gouvernements Pers Dienst en schrijver van enkele uiterst prettige boeken, noteerde in ‘Een oog boven Paramaribo’ een andere roddel. “Volgens geruchten, waaraan ik niet de minste waarde hecht, zou Thijm van huis uit van goede familie zijn geweest, een directe afstammeling van een Thijm uit Holland die weer familie was van de Alberdinck Thijms uit Amsterdam. Onze Gudu Gudu Thijm als neefje van Lodewijk van Deyssel (een Thijm die onder pseudoniem als schrijver naam maakte-TvB)? Een Surinaamse loot aan een erg literaire Amsterdamse stam? Hoe het ook zij, hij zong, met zijn nasale stem zijn liedjes en als hij de straat binnenkwam liepen de kinderen verheugd achter hem aan.”
De lezing dat Gudu Gudu (uit het Sranantongo te vertalen als ‘schatje’) de zoon is van Ludwig Ernest Thijm en Emily Elisabeth Juda, zoals Michiel van Kempen beschrijft in ‘Het koningshuis in Paramaribo en het binnenhuis in Berkel-Enschot’ klinkt als de onontkoombare waarheid. Al is dat heel wat minder spectaculair dan Thijm, die op de voorlaatste dag van 1966 overleed, wenste.

1/8/2011